Bescherming van uw bedrijfsgeheimen

Eind 2018 is de Wet bescherming bedrijfsgegevens (‘WBB’) in werking getreden.

Voor de invoering van deze wet bestond er geen specifieke regeling ten behoeve van de bescherming van niet openbaar gemaakte know-how of bedrijfsvertrouwelijke gegevens (‘bedrijfsgeheimen’).

In voorkomende gevallen kon getracht worden bescherming af te dwingen met een beroep op een geheimhoudings- en non-concurrentiebeding in een contract, of via de weg van de onrechtmatige daad.

De WBB geeft de houder van een bedrijfsgeheim een direct wettelijk recht om juridische procedures te starten wanneer diens bedrijfsgeheimen onrechtmatig worden verkregen, openbaar worden gemaakt of worden gebruikt.

Bedrijfsgeheim

In de WBB is vastgelegd wanneer er sprake is van een bedrijfsgeheim.

Het gaat om informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  1. De informatie is geheim, in de zin dat zij niet algemeen bekend of gemakkelijk toegankelijk is voor personen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie;
  2. De informatie bezit handelswaarde omdat zij geheim is; en
  3. Degene die rechtmatig over de informatie beschikt, heeft redelijke maatregelen getroffen om de informatie geheim te houden.

Maatregelen

De WBB biedt de houders van bedrijfsgeheimen een aantal maatregelen die zij kunnen nemen tegen vermeende inbreukmakers.

In kort geding kan de voorzieningenrechter bij een spoedeisende kwestie bijvoorbeeld de staking van of het verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim bevelen.

In een gewone procedure kan de rechter bijvoorbeeld het terugroepen van inbreuk-makende goederen van de markt bevelen.

Ook is het mogelijk voor de houder om schadevergoeding te vorderen van de inbreukmaker en kan

de rechter de in het ongelijk gestelde partij (indien gevorderd) veroordelen in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Het moet dan wel duidelijk zijn dat de inbreukmaker volstrekt te kwader trouw is, dus willens en wetens inbreuk op het bedrijfsgeheim heeft gemaakt. In die situatie is een volledige proceskostenveroordeling toewijsbaar.

Procedures

Inmiddels is de WBB al een paar keer in een gerechtelijke procedure aan de orde geweest.

Daarbij heeft de rechter zich uitgelaten over wanneer er sprake is van een bedrijfsgeheim en of er door de houder van het bedrijfsgeheim voldoende redelijke maatregelen zijn getroffen om de informatie geheim te houden.

Daarbij heeft de rechter overwogen dat van de houder van het bedrijfsgeheim niet in alle gevallen verwacht kan worden dat hij het bedrijfsgeheim volledig onthult en daarmee (de concurrent) inzicht geeft in de specifieke werking: dit zou botsen met het belang van de houder om de know-how geheim te houden. Hiermee zou een effectieve bescherming van het bedrijfsgeheim in het geding komen.

Wel dient de houder van het bedrijfsgeheim voldoende aannemelijk te maken dat de ontwikkelde know-how, waarvan bescherming wordt gevorderd, uniek is.

Ten aanzien van de te nemen redelijke maatregelen die getroffen dienen te worden, blijkt dat de rechter het opnemen van een geheimhoudingsclausule op de te beschermen informatie in arbeidscontracten niet altijd voldoende acht.

Het treffen van nadere maatregelen kan wenselijk én nodig zijn om beroep te kunnen doen op bescherming in het kader van de WBB.

Hierbij kan gedacht worden aan afzonderlijke NDA-overeenkomsten met personen aan wie de informatie beschikbaar wordt gesteld. Ook een functionerend gekwalificeerd toegangs- en beveiligingssysteem dat op individueel niveau toegang aan werknemers verleent of weigert, kan als redelijke maatregel gelden.

Wilt u meer weten over de wijze waarop u uw bedrijfsgeheimen juridisch het beste kunt waarborgen? Neem dan contact met ons op en wij informeren u graag.

Geen lasterlijk artikel Primo TVGids over oud-wereldkampioen wielrennen

De Belgische Raad voor Journalistiek heeft de klacht van de weduwe van oud-wereldkampioen wielrennen Eric De Vlaeminck over een artikel in Primo TVGids, een weekblad van Uitgeverij Cascade, afgewezen.

In het artikel ging het onder meer over de vraag wie de beste veldrijder aller tijden is. Liboton, ook oud-wereldkampioen wielrennen, vindt dat hij dat is en niet De Vlaeminck, omdat deze in 1970 en 1971 met twee wereldtitels is gaan lopen dankzij zijn ‘zwaar verleden’, waarmee gedoeld zou worden op dopinggebruik.

De weduwe voelt zich gekrenkt in haar eer en goede naam. Zij vindt de uitspraak lasterlijk tegenover wijlen Eric De Vlaeminck, omdat hij zich niet meer kan verdedigen. Primo TVGids had, zo stelt zij, om toestemming voor het plaatsen van het artikel moeten vragen.

Primo TVGids heeft zich op het standpunt gesteld dat het artikel niet lasterlijk is voor Eric De Vlaeminck. Verder hebben Primo TVGids en de journalist zorgvuldig  gehandeld en de woorden zorgvuldig gekozen. Bovendien hoeft een medium tevoren geen toestemming te vragen om een artikel te publiceren. Dat zou raken aan de persvrijheid.

De Raad van Journalistiek in België stelt dat een journalist zorgvuldige afwegingen moet maken en is van mening dat in deze kwestie het journalistiek geoorloofd was om de uitspraken te publiceren.

Voor de volledige tekst van de uitspraak: http://www/v2.rvdj.be/node/491

Uitgeverij Cascade, de uitgever van Primo TVGids, werd in deze kwestie bijgestaan door Ferenc Welten.

Column Bedrijvig Meierijstad, april 2017

Social media: een zegen of een vloek voor de ondernemer?

Social media spelen maatschappelijk een steeds belangrijker rol, dus ook op de werkvloer. Zij bieden voor ondernemers veel mogelijkheden bijv. in het kader van de promotie van het bedrijf en marketingcampagnes, maar het gebruik kan ook risico’s met zich meebrengen:

  • Bedrijfsinformatie komt onbedoeld op straat te liggen;
  • Een teleurgestelde medewerker plaatst negatieve opmerkingen over de werkgever;
  • Medewerkers besteden op de werkplek te veel tijd aan social media;
  • Auteursrechtelijk beschermd materiaal wordt door medewerkers van het internet geplukt;

Natuurlijk is niet alles te voorkomen, maar het helpt als medewerkers zich bewust zijn van het gebruik van social media én de ondernemer hierover vooraf ook (gedrags)regels heeft gesteld. Het gaat daarbij met name om de bewustwording, maar mocht een medewerker onverhoopt de regels overtreden dan kan hij daarop worden aangesproken. Dit heeft een medewerker in de regio Tilburg aan den lijve mogen ondervinden: Bij uitdiensttreding had hij 200 vakantieuren over.
De werkgever wilde deze uren niet uitbetalen, omdat de medewerker met een bedrijfstelefoon veel privé-WhatsApp-berichten had verstuurd tijdens werktijd. Dit was in strijd met een telefoonreglement. De kantonrechter stelde vast dat in ieder geval 1.255 berichten waren uitgewisseld en schatte dat de medewerker circa 3 minuten per bericht niet had gewerkt. De daarmee gemoeide arbeidstijd hoefde de werkgever van de kantonrechter niet aan de medewerker uit te betalen.
Liever vooraf goed regelen dan achteraf bonje? Neem gerust contact op! WeDo Advocaten. Pragmatisch. Proactief.

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten